Story Time: Zonnebloemen

Ze was er weer. Ik had haar al jaren niet meer gezien, maar nu was ze er weer. Toen ik de bos zonnebloemen bij mijn moeder op de eettafel had zien staan, dacht ik direct aan haar. Ik dacht aan de eerste keer dat ik haar zag, toen ze met haar bloemenjurk in de gang van het ziekenhuis stond.
Daar had ik haar ontmoet, haar bezoek zou vreugde brengen aan alle zieken die haar zouden zien, haar glimlach gaf de kracht om te herstellen.
Ik lag in mijn ziekenhuisbed, de deur had ik open laten staan, met het rumoer van gesprekken op de gang was mijn kamer tenminste niet zo leeg. Het was de eerste keer dat mijn ouders weg moesten en ik alleen achter bleef. De zusters hadden me om beurten even gezelschap gehouden, maar ze hadden andere dingen te doen. En toen kwam zij.
‘Wil je spelen?’ Vroeg een meisje vanuit de deurpost, haar glimlach stralend. Ik moest wachten op de dokter en antwoordde dat ik in mijn bed moest blijven. Ze knikte, haar glimlach nog steeds op haar gezicht en verdween.
Ik zakte wat verder onder mijn dekens nu ik weer alleen was. Ze moest alweer op zoek zijn naar iemand die wél wilde spelen, maar even later kwam ze terug. In haar armen had ze zo veel knuffels als ze maar kon dragen en plofte op mijn bed. Ze zette haar pluizige vriendjes zorgvuldig op een rijtje tegen het voeteneind. Ik haalde mijn hondje ook vanachter mijn kussen vandaan en zette het in het rijtje erbij. We hebben gespeeld totdat de zusters kwamen en vertelden dat we moesten slapen. De zuster hielp haar met het dragen van haar knuffels en toen ik ze door de gang weg zag gaan, hoopte ik dat ze de dag erna terug zou komen.
Dat deed ze. Deze keer had ze nog een paar andere knuffels bij. Haar fantastische glimlach was verscholen achter de poppenhoofdjes die alle kanten op staken.
‘Hoe heet je eigenlijk?’ Had ik gevraagd. Emmy, dat was haar naam, maar naar die van mij had ze nooit gevraagd. Weer hadden we de hele avond gespeeld en de dag erna had ik mijn ouders over haar verteld. Ze waren blij voor me dat ik een nieuwe vriend had gemaakt. Emmy werd al snel het lichtpuntje in mijn saaie ziekenhuisverblijf. Haar aanwezigheid zorgde er elke dag weer voor dat ik me beter ging voelen.
Nu wil ik haar terug, want ik wil mij beter voelen en ik ken niemand die dat kan zoals zij. Daarom ging ik naar haar op zoek, net zoals toen.
Er kwam namelijk al snel een dag dat ze niet meer in de deurpost verscheen. Ze had de gewoonte om na het avondeten bij mij langs te komen, maar ze was nu laat. Toen ik vond dat ik lang genoeg had gewacht, ben ik haar gaan zoeken. Op mijn sokken stapte ik door de gang van de kinderafdeling, gluurde door elk raampje en open deur op zoek naar lange blonde haren en stralende glimlach. Zusters zagen me en stuurden me weer terug naar mijn kamer, maar ik glipte toch weer weg wanneer ze niet opletten. Ik wilde de hele kinderafdeling doorzoeken. Maar ik vond haar nooit, op dat soort dagen was ze helemaal verdwenen, alsof ze niet eens meer bestond. Teleurgesteld kroop ik weer in bed, hopend dat ze de dag erna wel zou komen.
De dag erna bleef mijn deurpost leeg, net zoals de dag erna, ik wilde de moed net opgeven toen ze weer verscheen. Ze droeg dezelfde bloemenjurk als de eerste dag en had nu maar een knuffel bij zich.
‘Deze is nieuw!’ Verkondigde ze trots toen ze op mijn bed sprong. Het was een donkerblauw aapje met een rode snuit. Ze duwde het in mijn handen, ik voelde aan de zachte stof en slingerde de lange armen op en neer. ‘Jij mag zijn naam verzinnen.’
Ik hoefde niet lang te denken. ‘Bram’ zei ik resoluut, want dat was mijn naam en ik wilde dat ze die kende. Ik hield de aap omhoog om hem nog eens goed te bekijken en gaf hem toen weer aan Emmy.
‘Ja, Bram is een goede naam,’ knikte ze toen ze de aap weer aanpakte en knuffelde hem, ‘het is mijn nieuwe favoriete knuffel’. Haar glimlach was nog net wat breder dan normaal en haar ogen glommen. Ze bleef de rest van de avond bij mij, de zuster hoefde niets te zeggen toen ze tegen bedtijd binnen kwam. Emmy sprong al van mijn bed.
‘Tot de volgende keer!’ Riep ze nog over haar schouder voor ze wegrende.
Ze verdween opnieuw, ik liet mijn deur altijd open, maar ze verscheen nooit. Opnieuw doorzocht ik alle gangen en kamers op de afdeling, kwam zelfs in kamers waar ik niet thuishoor, te bang haar kamer per ongeluk over te slaan.
Mijn tijd in het ziekenhuis kwam al snel tot een einde, ik was genezen van de operatie en kon naar huis. Ik hoopte met al mijn macht dat ze nog zou verschijnen of dat ik haar kon vinden. Ik was extra vroeg opgestaan om nog eens het rondje te kunnen lopen, maar werd al snel ontdekt door een zuster die me weer terug naar bed stuurde. Toen ik met mijn ouders mijn koffer weer inpakte en alle beterschapskaartjes van de muur haalde, vroeg mijn moeder of ik niet blij was dat ik weer naar huis mocht. Ik moest huilen omdat ik Emmy niet had kunnen vinden. Ik heb geen afscheid kunnen nemen en dat vond ik nog het ergste.
Ze heeft altijd in mijn hoofd rondgedwaald, ik zag haar in meisjes op mijn school, maar ze was het nooit. Ik dacht aan haar als ik de slaap niet kon pakken, maar ze was nooit zo aanwezig als ze nu is. Herinneringen hebben me ervan overtuigd dat ik haar moet vinden. Ik herinner me namelijk hoe na een nacht rillen van de kou, zij ervoor zorgde dat ik me warm voelde. Ik herinner me hoe ze de nachtmerries die me achtervolgden, verdreef en me plezier gaf in een plek waarvan ik niet wist dat het kon. Zij had die kracht, zij kon voor mij zorgen zoals ze toen deed.
Maar toen ik mijn zoektocht naar haar startte, daar in het ziekenhuis op de plek waar we elkaar ontmoetten, had ik een veel mooier einde in gedachte. Ik had haar gevonden, dat was misschien al meer dan waar ik op had gehoopt. Ik had haar ouders gesproken en zij gaven me de laatste aanwijzingen waar ik haar kon vinden.
Onderweg van haar ouders naar haar, ging ik eerst langs de bloemenwinkel, want ik kon niet naar haar zonder eerst een zonnebloem te kopen. Het deed me denken aan haar glimlach en daardoor kwam er ook een op mijn gezicht. Vanaf de winkel is het niet ver lopen en het duurt slecht enkele minuten totdat ik op zoek ben naar haar naam. In plaats daarvan zie ik eerst het donkerblauwe aapje met de naam Bram tegen de gladde steen zitten. Ik ga op mijn knieën zitten en leg de zonnebloem naast het aapje. Mijn ogen glijden over de naam en cijfers op de steen, over de datum van de dag dat ik het ziekenhuis verliet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s