Story Time: XXX

Het verleden zal zich herhalen en het is daarom dat ik weer op weg ben naar de plek waar ik ooit woonde: Amsterdam. Na een jaar weg te zijn geweest, ga ik jou weer zien. Waar de meesten denken aan de toeristen, de Dam en de grachten, heb ik er mijn eigen herinneringen. Ik denk aan mijn favoriete boekenwinkel, tram nummer zeventien en het trapje aan de rand van de gracht.
Maar nu sta ik op station Nijmegen, zo’n anderhalf uur verwijderd van de plek waar ik wil zijn, maar dit is waar het allemaal begon. Het zit namelijk zo.
Ik heb altijd bewondering gehad voor mensen die groot durven te dromen. En niet alleen dat, mensen die dromen aan gaan en hier geen obstakels in zien, die het risico wel willen nemen, dat vind ik geweldig. Daarom besloot ik dat ik ook naar deze filosofie moest handelen. Ik wilde schrijven en daar leek een stage de perfecte kans voor. Ik besloot dat ik me niet tegen zou laten houden door afstanden en er gewoon voor ging. Zo vond ik mijn stage in Amsterdam, dus ging ik ook naar Amsterdam. Zo gezegd, zo gedaan. Ik vond ook een kamer op zolder bij een oud vrouwtje en toen woonde ik officieel in de hoofdstad.
Al mijn spullen waren al verhuisd toen ik op een zondagavond met mijn ouders naar station Nijmegen reed. Het besef dat ik naar de andere kant van Nederland ging, kwam eigenlijk toen pas en ik werd er nerveus van.
Mijn ouders stelden gelukkig voor om nog even koffie te gaan drinken voordat we afscheid moesten nemen. Opgelucht keek ik over mijn mok chocolademelk naar de eerste trein die voor mijn neus weg reed. Ik kreeg nog even uitstel van mijn sprong in het diepe, voordat ik de onbekende wereld in moest.
De volle weekendtas naast me was de onaangename reminder dat het moment van afscheid toch echt kwam. Het moment waar een nieuw onderdeel van mijn leven inging, één waarvan ik niet wist wat ik ervan kon verwachten. Waar ik zin in had, maar ook bang voor was. Iets wat me voor altijd zou veranderen, al wist ik dat nog niet. Maar wat wil je anders van een dorpsmeisje dat naar de hoofdstad verhuisd?
Een trein dendert langs me heen en haalt me uit mijn gedachten. De mensen beginnen overal te lopen, ze willen allemaal als eersten bij de treindeuren zijn om het perfecte plekje te bemachtigen. Maar ik weet dat je het beste naar het einde kunt lopen. Daar vond ik op zondagavond de lege coupés waar ik nog snel wat tranen weg kon pinken. Want mijn moeder had gehuild die eerste keer, zij vond het misschien nog wel spannender dan ik het vond.
Hoe verder ik naar achter loop, hoe minder mensen er nog met me mee lopen. Het is een dinsdag dus ik weet dat ik geen lege coupé tegen zal komen. Toch loop ik door. Met een klein sprongetje spring ik in de laatste coupé. In de verte hoor ik het fluitje dat zegt dat het tijd is om te vertrekken. Ik ben onderweg naar jou.
Treinreizen heb ik nooit erg gevonden. Ik kan uren in de trein zitten zonder er genoeg van te krijgen. De reis van anderhalf uur vond ik dan ook heerlijk. Vrijwel elke zondagavond bleef ik het liefst zitten als mijn trein in Amsterdam Centraal stopte. Ik las boek na boek uit onderweg naar huis. Zolang ik in de trein zat, had ik rust, daar had ik geen verplichtingen. Het moet toen geweest zijn dat ik mijn liefde voor onderweg zijn heb ontwikkeld. Het is zo gemakkelijk om gewoon in een trein te stappen en even weg te zijn.
Dit gevoel overvalt me nu weer. Zodra ik mijn stoel heb gevonden, hoef ik er niet meer uit voordat ik in Amsterdam ben. Daar zal ik de heerlijke rust van de stiltecoupé moeten verlaten en mezelf een weg banen door de drukke straten met verkeer en toeristen. Mijn vader was er tijdens zijn bezoekje in Amsterdam van geschrokken.
Hij was samen met mijn moeder en zusje bij mij op bezoek gekomen. Ik zou ze een kleine rondleiding door de stad geven, maar dan op mijn manier. Zo kon ik ze laten zien hoe Amsterdam in mijn ogen was. Ons startpunt was Centraal, waar we met de metro naartoe gingen. We stonden op de roltrap om weer bovengronds te komen, toen de ogen van mijn vader groot werden. Hij kon zijn ogen niet geloven, zo veel mensen had hij nog nooit bij elkaar gezien. Wat ongemakkelijk stapte hij van de roltrap af, niet wetend wat hij in deze drukte moest.
‘Dan blijf ik toch liever in Langenboom.’ Mompelde hij, iets wat we natuurlijk al wisten.
‘Ik niet.’ Had ik daarop geantwoord. Maar ik moest eerlijk toegeven dat die drukte ook niet echt mijn ding was. Maar ik had het ook niet zo op boerendorpjes in niemandsland. Mijn vader zou het er nog veel over hebben met zijn kameraden bij de voetbalclub en zijn collega’s op het werk.
Maar nu ik op Amsterdam het station uit loop, begrijp ik mijn vader ook wel. Ik voel me onderdeel van een mierenhoop wanneer we gezamenlijk inschikken om door de poortjes en deuren te passen en vervolgens onze eigen kant op gaan. Het herinnert me eraan dat ik hier weer moet opletten, dat mensen van alle kanten kunnen komen en groen licht niet direct betekent dat ik kan lopen. Ik vraag me af hoe jij hier elke dag weer mee om kan gaan, een half jaar lang was voor mij genoeg om weer weg te willen.
Even check ik of tram zeventien er toevallig is, maar dat is niet het geval. Dat wordt dus lopen, door de regen nog wel, want zodra de trein Amsterdam naderde, begon het zachtjes te regenen. Perfect voor toeristen, dacht ik nog, die krijgen het typische Nederlandse weer mee tijdens hun bezoek. Gezellig samen onder een rood-zwarte paraplu door de regenplassen sjokken, dat moet het hoogtepunt van hun reis zijn. De paraplu zal een onmisbaar onderdeel van hun aanstaande profielfoto worden.
Maar ik heb er een hekel aan. Gelukkig kan ik mijn capuchon opzetten en vind ik al snel mijn oude tempo terug. Ik zigzag tussen de toeristen door en houd er flink de pas in. Ik weet waar ik heen moet, heb hier zo vaak gelopen dat ik het zo kunnen dromen. Ik vraag me af of jij ook al onderweg bent, je woont hier immers niet ver vandaan. Het was dus ook niet lastig om te beslissen waar we zouden afspreken.
Wanneer ik door deze straten loop, word ik overvallen door herinneringen. Ik zie het hoekje waar een straatartiest over scherven wilde lopen en ik snel wegkeek. De winkel waar ik mijn eerste game kocht toen ik mijn stage begon. Ik klaar ervan op, alle negativiteit die de regen me bracht, kan hier niet tegenop.
Maar ik zal niet ontkennen dat ik het zwaar heb gehad toen ik in Amsterdam woonde. Ik heb me eenzaam gevoeld, want ik was telkens weer alleen wanneer ik thuis kwam. Mijn vrienden en familie zaten immers aan de andere kant van Nederland, dus ook zij kwamen niet vaak op bezoek. Daarnaast was mijn stage zwaar, ik was in een harde wereld beland en mijn doorzettingsvermogen is flink op de proef gesteld.
Maar het zijn dan ook mijn collega’s die mijn dagen op kantoor beter konden maken. Ik kon altijd lachen met de jongens en had onderonsjes met mijn enige vrouwelijke collega. In de zomer aten we lunch op het trapje aan de gracht en in de winter speelden we games. Ik lachte met Edwin als we Niels plaagden, bedacht slimme strategieën met Victor en kon altijd op hulp van Ramon rekenen.
Het voelde raar toen ik weer afscheid van ze moest nemen. Ik wist dat het de laatste keer zou zijn dat ik deze mensen zag. Hoewel ik er inmiddels achter was dat dit niet mijn wereld was – Amsterdam niet, journalistiek niet, de game-wereld niet – was het afscheid toch lastig.
Ik zie links van me iemand naar me toe komen. Hij heeft een knalblauwe jas aan, net als het meisje dat een stukje verderop met iemand staat te praten. Ik weet wat het betekent en kijk snel weg, maar het is al te laat.
‘Hoi, heb je even tijd?’ vraagt hij met een vrolijke glimlach. Hij wil meteen doorgaan met praten maar ik kap hem af.
‘Sorry, ik ben al te laat voor mijn afspraak.’ Zeg ik en ga nog wat sneller lopen.
‘Ik kan ook wel een stukje meelopen.’ Stelt hij nog voor.
‘Nee.’ Zeg ik kortaf en kijk weer recht voor me uit. Ik heb zo’n hekel aan verkopers. Op een of ander manier weten ze mij er altijd uit te pikken. Zie er zwak uit? Als iemand die gemakkelijk omgepraat wordt?
Oké, ik zal maar toegeven dat ik het ooit heb gedaan -dat ik me heb laten ompraten- maar ergens wilde ik het ook. Mijn oma was net overleden aan kanker toen ze me vroegen of ik voor het KWF wil doneren. Hoe kwetsbaar wil je me hebben?
Maar voor nu laat de verkoper me met rust. Hij keert zich alweer naar zijn volgende slachtoffer.
Ik houd mijn stevige tempo erin, word enkel nog gestopt door de stoplichten en af en toe een groep toeristen die te groot is om te ontwijken. Ik ben nu dichtbij mijn favoriete boekenwinkel.  Ik heb toch nog even tijd voor onze afspraak, dus besluit te gaan kijken hoe het is afgelopen met de verhuizing.
De boekenwinkel was mijn favoriete plek in Amsterdam. Het was misschien wel een van de grootste die ik ooit heb gezien, maar zo voelde het absoluut niet. Het was er gezellig, met kleine leeshoekjes en banken. Ik at er weleens een broodje in de lunchhoek of werkte aan de lange tafel aan mijn eigen verhalen. Het was er altijd rustig, warm en ik voelde me er goed. Eén van de mooiste dingen van de winkel vond ik de piano. Het stond op de eerste verdieping en was overal te horen. Ik heb boeken en muziek altijd een mooie combinatie gevonden, de piano was perfect. Donderdagavond werd mijn schrijfavond en ging ik vanuit mijn stage naar de boekenwinkel om er te schrijven. Ik vond het heerlijk om inspiratie op te doen tussen de boeken. Ik wilde dat ik je dit plekje kon laten zien.
Er werd aangekondigd dat de winkel zou verhuizen. Het ging naar het centrum, wat natuurlijk veel gunstiger is. Er zouden meer mensen op af komen en dat zou de zaken zeker goed doen. Als fan van de winkel was ik enthousiast en hoopte dat er inderdaad meer mensen verliefd zouden worden op deze fantastische winkel.
Maar nu ik hier terug ben, is dat enthousiasme ver te zoeken. Alles is wit en strak – heel modern natuurlijk – maar helemaal niet meer zo gezellig als het ooit was. Door het hele pand is het gerammel van de roltrappen te horen, er is geen hoekje meer te vinden waar het echt rustig is. Er staan gelukkig nog steeds banken en tafeltjes door de winkel verspreidt, maar de lunchhoek is vervangen door een hip duur tentje.
Als ik op de tweede verdieping loop vraag ik me af waar de piano gebleven is. Maar dan vind ik het alweer. Het staat tegen de omheining van de roltrap, tussen een trapje en een paal. Wil je spelen, dan zit je in het gangpad, maar ik vraag me af of iemand dat nog doet. Door het gerammel van de mechanische reuzen kun je niets meer van de piano horen. Maar dan ervaar ik minstens één voordeel van dit ongeluk: ze brengen me weer heel snel naar de uitgang.
Het maakt me treurig dat mijn mooiste plekje me zo plotseling is afgepakt. Het herinnert me eraan dat alles veranderd en hoe mooi dat kan zijn, zo pijnlijk is het dus ook.
Buiten is het inmiddels gestopt met regenen, slechts hier en daar valt nog een druppel. Ik loop weer verder naar onze ontmoetingsplek, laat deze plek even voor wat het is. Er staat iets veel mooiers op me te wachten. Want ik ga jou weer zien. Een glimlach vormt zich vanzelf op mijn gezicht. We hadden een koffietentje uitgekozen, omdat ze volgens jou de beste koffie van Amsterdam hebben. Ik wist direct waar het zat, dat was voor mij het belangrijkste. De weg vinden is namelijk niet mijn sterkste punt.
Van een afstand zie ik de felgekleurde tulpen op de tafeltjes van het koffietentje. Een tafeltje met twee stoeltjes aan elke kant van de deur. Het ziet er gezellig uit en ik kijk snel naar binnen om te zien of jij er al bent. Een zwaaiende hand en brede glimlach antwoorden die vraag. Ik trek de deur open en stap het moment in waar ik nu al zo’n tijd naar uit kijk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s